X
GO
nl-BEfr-FR
Hoeveel stikstof nemen vanggewassen en granen nog op na late aardappelen?

Hoeveel stikstof nemen vanggewassen en granen nog op na late aardappelen?

vendredi 30 septembre 2022

Om aan het doelareaal vanggewassen binnen MAP VI te kunnen voldoen, moet in bepaalde gevallen nog een vanggewas worden ingezaaid na de oogst van late aardappelen. Bij inzaai in oktober is de keuze aan geschikte vanggewassen echter beperkt. In praktijk worden na late aardappelen bovendien vaak wintergranen ingezaaid. Binnen het Landbouwcentrum Aardappelen (LCA) onderzocht de Bodemkundige Dienst van België hoeveel stikstof verschillende vanggewassen en granen opnemen bij inzaai op verschillende tijdstippen na late aardappelen.

 

Vanggewassen binnen MAP VI

Sinds het van start gaan van MAP VI moet in gebiedstype 2 en 3 elk jaar een groter areaal vanggewassen worden ingezaaid. Dit jaar gaat het om een toename van 10% (gebiedstype 2) en 20% (gebiedstype 3) t.o.v. het referentieareaal dat eerder werd vastgelegd. Wanneer vanggewassen tijdig kunnen worden ingezaaid (bv. na granen) bieden ze tal van voordelen. Zo beschermen ze de bodem tegen erosie, dragen ze bij aan het organisch koolstofgehalte van de bodem en voorkomen ze de uitspoeling van nitraatstikstof. Echter, om aan het doelareaal vanggewassen te voldoen moet in bepaalde gevallen ook nog een vanggewas worden ingezaaid na teelten die pas laat kunnen worden geoogst, zoals bijvoorbeeld late aardappelen. Deze zijn doorgaans pas in oktober van het veld, wat maakt dat de keuze aan geschikte vanggewassen beperkt is. Vorstgevoelige vanggewassen zoals gele mosterd of bladrammenas zullen bij late zaai nog amper ontwikkelen en zijn bijgevolg niet geschikt. Enkel winterharde vanggewassen die nog langer kunnen doorgroeien zijn geschikt bij dergelijke late zaai. Aangezien oktober en november de ideale inzaaiperiode is voor wintergranen worden deze in praktijk vaak gezaaid na late aardappelen. Net als vanggewassen zullen wintergranen een deel van de aanwezige stikstof opnemen en zo de uitspoeling hiervan voorkomen. Voor de invulling van het doelareaal vanggewassen komen wintergranen echter niet in aanmerking. Enkel via de equivalente maatregel “wintergranen of wintervlas na nitraatgevoelige hoofdteelten” konden wintergranen de voorbije jaren deels in aanmerking komen voor het doelareaal, mits voldaan aan verschillende voorwaarden.

 

Proefperceel Bekkevoort

Om na te gaan hoeveel stikstof verschillende vanggewassen en granen bij inzaai na late aardappelen nog opnemen werd door de Bodemkundige Dienst van België in het najaar van 2021 in Bekkevoort een vanggewassenproef aangelegd op een zandleembodem. Hierbij werden na late aardappelen in verschillende herhalingen Italiaans raaigras, snijrogge, wintertarwe en wintergerst gezaaid. Italiaans raaigras, snijrogge en wintertarwe werden gezaaid op 2 verschillende tijdstippen; 18 oktober en 15 november. Wintergerst werd enkel ingezaaid op 18 oktober. Daarnaast was er ook een referentieobject waar geen vanggewas werd ingezaaid. In het najaar van 2021 en het voorjaar van 2022 werd bij alle objecten het nitraatgehalte in de bodem opgevolgd. Verder werd de stikstofopname door de vanggewassen en granen ook bepaald aan de hand van tussentijdse proefoogsten en gewasanalyses.

 

Het nitraatgehalte (kg nitraat-N/ha) in de bodem in het najaar van 2021 en het voorjaar van 2022 bij de verschillende vanggewassen en zaaidata bij het proefveld in Bekkevoort. Op 12 oktober werd het nitraatgehalte gemeten in de bodemlaag 0-60 cm, op alle andere tijdstippen in de bodemlaag 0-90 cm.

 

De stikstofopname (kg N/ha) van de verschillende vanggewassen en granen in het najaar van 2021 en het voorjaar van 2022.

 

 

 

Evolutie nitraatgehalte en stikstofopname


Het nitraatgehalte in de bodem (Figuur 2) was in het najaar van 2021 nog vergelijkbaar voor alle vanggewassen en granen bij beide zaaitijdstippen. Er was ook nog geen duidelijk verschil met het object zonder vanggewas. In het najaar was de opname dus nog zeer beperkt. Dit bleek ook uit de gewasanalyses (Figuur 3). Op 14 december bedroeg de stikstofopname van de vanggewassen en granen ingezaaid op 18 oktober 7 tot 11 kg N/ha. De vanggewassen en granen ingezaaid op 15 november waren op dat moment nog te klein om de stikstofopname te kunnen bepalen. Tussen half december en begin februari zien we bij de vanggewassen en granen gezaaid op 18 oktober wel een duidelijke afname van het nitraatgehalte in de bodem t.o.v. het referentieobject zonder vanggewas. Het nitraatgehalte is hier begin februari 24 tot 45 kg nitraat-N/ha lager. Op basis van de gewasanalyses bedraagt de stikstofopname op dat moment 18 tot 27 kg N/ha. Bij deze analyses werd echter enkel de bovengrondse biomassa meegenomen, wat een onderschatting geeft van de totale stikstofopname. Bij de vanggewassen en granen ingezaaid op 15 november is de daling in nitraatgehalte beperkter en wordt begin februari een opname gemeten van 4 tot 6 kg N/ha. 

Op 11 maart werd een laatste keer het nitraatgehalte in de bodem gemeten en de stikstofopname bepaald. Bij de vroegst gezaaide vanggewassen en granen bleek het nitraatgehalte in de bodem nog sterk gedaald en was er nog maar 12 tot 26 kg nitraat-N/ha aanwezig in de bodemlaag 0-90 cm. Bij de later gezaaide vanggewassen en granen was nog 61 tot 66 kg nitraat-N/ha aanwezig in de bodem op dat moment. Tabel 1 geeft voor de verschillende vanggewassen, granen en zaaitijdstippen het verschil in nitraatgehalte weer t.o.v. het referentieobject zonder vanggewas. Bij de vroegst gezaaide vanggewassen in het nitraatgehalte 51 tot 65 kg N/ha lager, wat betekent dat er 51 tot 65 kg stikstof werd opgenomen. Op basis van de proefoogst en gewasanalyse bedroeg de stikstofopname 32 tot 46 kg N/ha (Tabel 1), wat opnieuw een onderschatting lijkt te zijn van de totale stikstofopname omdat enkel de bovengrondse biomassa werd geanalyseerd. Tussen de verschillende vanggewassen en granen zijn de verschillen in stikstofopname beperkt. Gemiddeld is de opname het laagst bij Italiaans raaigras en het hoogst bij snijrogge en wintergerst. Bij de later gezaaide vanggewassen is het nitraatgehalte op 11 maart 11 tot 16 kg nitraat-N/ha lager t.o.v. het referentieobject zonder vanggewas. Dit ligt in dezelfde grootteorde als de stikstofopname op basis van de proefoogst en gewasanalyse die 13 tot 18 kg N/ha bedroeg op dat moment. Hier is de stikstofopname dus duidelijk minder groot dan bij de vroeger gezaaide objecten en werd ook geen groot verschil in stikstofopname tussen de vanggewassen en granen waargenomen.
 

Verschil in nitraatgehalte (0-90 cm, kg nitraat-N/ha) voor de verschillende vanggewassen en granen ingezaaid op 18 oktober en 15 november t.o.v. het object zonder vanggewas en de bovengrondse stikstofopname (kg N/ha) van de verschillende granen en vanggewassen op basis van een proefoogst en gewasanalyse.

 

 

Conclusie

Uit de proef blijkt dat bij late zaai (half oktober – half november) van vanggewassen of wintergranen de stikstofopname in het najaar eerder beperkt is. Tussen half december en begin februari werd bij de vroegste zaai (18 oktober) wel duidelijk een afname van het nitraatgehalte in de bodem gemeten als gevolg van stikstofopname door de vanggewassen en granen. Begin februari was het nitraatgehalte hier 24 tot 45 kg nitraat-N/ha lager t.o.v. waar geen vanggewas werd ingezaaid. Bij de latere zaai (15 november) was de daling in nitraatgehalte zeer beperkt en bedroeg de stikstofopname op dat moment 4 tot 6 kg N/ha. Op 11 maart was het nitraatgehalte bij de vroegste zaai 51 tot 65 kg nitraat-N/ha lager t.o.v. waar geen vanggewas werd ingezaaid. Hier was de aanwezige stikstof dus goed benut door de granen en vanggewassen en was er in de bodemlaag 0-90 cm nog maar 12 tot 26 kg nitraat-N/ha aanwezig. Het verschil in stikstofopname tussen de verschillende vanggewassen en granen op hetzelfde tijdstip gezaaid was zeer beperkt.  Bij de late zaai bedroeg het nitraatgehalte in de bodem op 11 maart nog 61 tot 66 kg nitraat-N/ha, wat maar 11 tot 16 kg nitraat-N lager is t.o.v. waar geen vanggewas werd ingezaaid. Hier was de stikstofopname dus nog beperkt en was er ook geen verschil tussen de vanggewassen en granen. Wintertarwe heeft hier wel nog het meeste potentieel om de aanwezige stikstof verder te benutten aangezien het grootste deel van de stikstof aanwezig is in de bodemlaag 30-90 cm. De volgende hoofdteelt (bv. maïs) na de andere vanggewassen zal immers veel meer tijd nodig hebben om met zijn wortels deze diepte te bereiken. 
 

 

 

 

Print