X
GO
nl-BEfr-FR
Actuele berichten
Mogelijkheden van gefractioneerd bemesten en druppelirrigatie

Mogelijkheden van gefractioneerd bemesten en druppelirrigatie

proefresultaten 2020

donderdag 18 februari 2021

In het 6e Mest Actie Plan (MAP 6) is voor teelten in gebiedstype 2 en 3 een daling van de werkzame stikstof (N) bemestingsnormen met respectievelijk 10 en 20 % voorzien, tegen 2022. Daarnaast is het nitraatresidu aan het einde van de teelt de belangrijkste indicator om na te gaan of de bemesting oordeelkundig uitgevoerd werd.
De teelt van aardappelen wordt echter gekenmerkt door een relatief grote N behoefte en een eerder beperkte N opname, met hoge nitraatresiduen tot gevolg. De in MAP 6 opgenomen wijzigingen stellen de aardappelteler dus voor een uitdaging.

Daarom legde het PCA in het kader van het demonstratie project ‘Aardappelen telen binnen de restricties van MAP 6’ een proef aan waarin nagegaan werd met welke N bemesting een goede opbrengst gerealiseerd kan worden zonder een al te hoog nitraatresidu, en hoe druppelirrigatie en fertigatie kunnen bijdragen aan een verbeterde N gebruiksefficiëntie.


Proefopzet

Hiertoe werden Fontane aardappelen gepoot op een perceel met zandleem bodem, op 24 april 2020. Voor dit perceel bedroeg het N bemestingsadvies voor Fontane 190 kg N . ha-1, op basis van een grond ontleding. 
In de proef werden de aardappelen bemest met 0, 100, 160, 190 of 320 kg N . ha-1 met kalkammonsalpeter (Tabel 1). Bij een bemesting met 160 of 190 kg N . ha-1 werd er een vergelijking gemaakt tussen de volledige bemesting toepassen bij planten of de bemesting fractioneren, waarbij een tweede N gift toegepast werd 6-8 weken na planten. Daarnaast werden bij een bemesting met 160 kg N . ha-1 ook de mogelijkheden van druppelirrigatie en fertigatie (bemesting via het irrigatie water) nagegaan. Druppelirrigatie en fertigatie werden opgestart vanaf eind juni. In totaal werd er 130 L water per m² geïrrigeerd.
 

Tabel 1 – Proefobjecten

Tabel 1 – Proefobjecten

 

Bijbemesten

Half juni, voor toepassing van de bijbemesting, werden in elk van de proefobjecten grondstalen genomen om de N voorraad bij knolaanleg te bepalen. De resultaten (Figuur 1) toonden dat de N voorraad in de objecten die reeds met 0 tot 100 kg N . ha-1 bemest waren onvoldoende was. In de objecten die reeds met 160, 190 of 320 kg N . ha-1 bemest waren, varieerde de N voorraad van net voldoende tot ruim voldoende voor het aardappelgewas. 
In de praktijk zou enkel een bijbemesting van de objecten met een onvoldoende N voorraad geadviseerd worden. Dit impliceert dat het nemen van een tussentijds staal voor bijbemesting het toeliet om het initiële bemestingsadvies te verfijnen en 30 kg N . ha-1 te besparen.
In deze proef werden echter alle objecten bijbemest zoals initieel gepland. Dit om voorgaande stelling te staven.

Figuur 1 – N voorraad bij knolaanleg (groene lijn = streefwaarde N voorraad)

Figuur 1 – N voorraad bij knolaanleg (groene lijn = streefwaarde N voorraad)

 

Opbrengst

Door niet te bemesten met N, bedroegen de opbrengst verliezen ten opzichte van bemesten volgens initieel advies ruim 10 tot 12 ton . ha-1 (Figuur 2). Bovendien nam ook het aantal +50 mm knollen in het onbemeste object sterk af. Daarnaast bleek dat er nauwelijks opbrengst verliezen waren vanaf een bemesting met 100 kg N . ha-1 en bleek ook dat overbemesten met 320 kg N . ha-1 geen aanleiding gaf tot een betere opbrengst of sortering. Dit wijst erop dat er na de droogte van mei en juni nog veel N via mineralisatie in de bodem vrijgekomen is die het aardappelgewas voldoende kon voeden.

Toepassing van druppelirrigatie en fertigatie leidden in deze proef tot een zeer beperkte meeropbrengst van 1 tot 2 ton . ha-1. Wel hadden deze beide objecten een iets groter aandeel +50 mm knollen. Bovendien bereikten deze beide objecten hun maximale opbrengst reeds half augustus. Hierdoor hadden we het gewas vroeger kunnen rooien, wat perspectieven biedt om nog een vanggewas in te zaaien. Een andere mogelijkheid is dat door vroeger te starten met druppelirrigatie, tijdens de droge periode in mei en juni, de knolaanleg in deze objecten verhoogd zou worden en we weldegelijk een meeropbrengst hadden kunnen realiseren.

Figuur 2 - Bruto opbrengst, N opname en nitraatresidu bij verschillende N bemestingsdosissen

Figuur 2 - Bruto opbrengst, N opname en nitraatresidu bij verschillende N bemestingsdosissen

Resultaten voor druppelirrigatie bij 160 kg N/ha worden weergegeven door de donkere korte lijnen, resultaten voor fertigatie bij 160 kg N/ha worden weergegeven door de lichte korte lijnen. Zwarte horizontale lijnen duiden de eerste en tweede nitraatresidu drempelwaarde aan voor aardappelen in gebiedstype 2 en 3

 

Nitraatresidu

Bij een bemesting van 0 tot 160 kg N . ha-1 varieert het nitraatresidu van 80 tot 110 kg NO3-N . ha-1 en behalen we of komen we dicht in de buurt van de vooropgestelde nitraatresidu drempelwaarden. Vanaf een bemesting van 190 kg N . ha-1 of meer neemt het nitraatresidu aanzienlijk toe en overschrijden we ruim de nitraatresidu drempelwaarden.

Dit bevestigt de bevinding van de grondstalen genomen half juni, dat er vanaf een bemesting met 160 kg N . ha-1 reeds voldoende N in de bodem voorradig was om het gewas te voeden. Dit blijkt ook uit de N opname in de knollen, die vanaf een bemesting met 160 kg N . ha-1 niet meer toenam. Door te fractioneren en een staal voor bijbemesting te nemen konden we dus het initiële bemestingsadvies van 190 kg N . ha-1 verder verfijnen naar 160 kg N . ha-1 en 30 kg N . ha-1 uitsparen zonder aan opbrengst in te boeten.

Door het ontbreken van een significante meeropbrengst, leidden druppelirrigatie en fertigatie tot zeer gelijkaardige nitraatresiduen als de 160 kg N . ha-1 bemeste objecten. Wel gaven druppelirrigatie en fertigatie de mogelijkheid om vroeger te rooien, waardoor het inzaaien van een vanggewas nog zou kunnen.

 

Conclusies

Deze proefresultaten geven aanleiding tot volgende conclusies:

  • Bemesting is cruciaal voor een goede opbrengst en sortering.
     
  • Het behalen van de eerste nitraatresidu drempelwaarde voor aardappelen in gebiedstype 2 en 3 blijft een uitdaging ongeacht de bemestingsstrategie.
     
  • Fractioneren van de bemesting in combinatie met het nemen van een tussentijds staal voor bijbemesting laat het toe om het initiële bemestingsadvies te verfijnen en eventueel N meststoffen te besparen. Hierdoor wordt een goede opbrengst en sortering behaald en is het mogelijk om een lager nitraatresidu te behalen dan wanneer de volledige bemesting bij planten toegepast wordt.
     
  • Druppelirrigatie en fertigatie bieden mogelijkheden om het gewas vroeger te rooien of een hogere opbrengst te behalen. Hierdoor kan in beide gevallen een lager nitraatresidu nagestreefd worden.
     
  • Meer bemesten dan het advies is onzinnig en kan niet als een goede praktijk beschouwd worden.

 


 

Print