X
GO
nl-BEfr-FR
Actuele berichten
Alternaria beredeneerd aanpakken

Alternaria beredeneerd aanpakken

vrijdag 6 juli 2018

ONDERZOEK

Door middel van monitoring van praktijkpercelen, veldproeven, labo- en serreproeven en tal van analyses in de voorbije 5 seizoenen is een beter inzicht verkregen in het optreden van Alternaria in Vlaanderen. Daarmee kunnen we de ziekte en het risico beter inschatte, en bestaande vuistregels aanpassen om te komen tot een efficiëntere bestrijding. Het doel van dit meerjarig onderzoek bestaat erin om alle verworven kennis aan te wenden in een beslissingsondersteunend adviessysteem, dat rekening houdt met weersomstandigheden, ziektedruk, gewaskenmerken en eigenschappen van fungiciden - zoals dit voor de aardappelplaag reeds gebeurt.

 

Enkele belangrijke conclusies voor de praktijk:

  • Alternaria is een ziekte van de afrijpingsfase

    eerdere ‘Alternaria-achtige’ vlekken hebben vaak een andere oorzaak, of geven geen aanleiding tot een epidemische ontwikkeling zolang de afrijping niet ingezet is - de fysiologische weerstand van het gewas is minstens zo belangrijk als de juiste opeenvolging van gunstige weersomstandigheden

  • Het gemiddeld niveau van aantasting op de meeste percelen en de meeste jaren is (zeer) laag en heeft dan geen invloed op opbrengst en sortering;
    niettemin, en ondanks de trage verspreiding van de ziekte, kunnen bladvlekken snel toenemen en een gezond blad vernielen binnen 8 tot 10 dagen

  • Er zijn heel veel mutaties aanwezig bij de schimmel, met sterk verminderde gevoeligheid voor strobilurine- en gelijkaardige fungiciden
    de middelenkeuze moet erop gericht zijn om het aandeel van deze mutaties binnen de perken te houden én een goede controle te bekomen

ZIEKTECYCLUS
Alternaria solani is een schimmel met een vergelijkbare ziektecyclus als de aardappelziekte, Phytophthora infestans: de sporen van de schimmel worden verspreid en komen op een blad terecht, waar ze eventueel kunnen kiemen en infecteren, wat tot een vlek leidt waarop nieuwe sporen gevormd worden, die op hun beurt een nieuwe cyclus kunnen starten.
Voor de beginaantasting zijn voldoende initiële sporen nodig. Sporen van Alternaria overleven op gewasresten en organisch materiaal, zodat de voorgeschiedenis van het perceel eveneens van belang is. Een ruimere rotatie van aardappelen leidt tot een lagere ziektedruk op het perceel.
Voldoende vocht (bladnat) bij een relatief hoge temperatuur speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van de ziekte. Op het blad worden donkerbruine, hoekig afgelijnde vlekjes gevormd met vaak concentrische ringen in. Op deze vlekken ontwikkelen zich sporen die vooral door de wind loskomen en verspreid worden. Verreweg de meeste sporen worden gevormd op verouderend en afstervend gewas,  een gewas dat dan ook nog eens gevoeliger is voor infectie, waardoor de invloed van de afrijping op de ziekte extra versterkt wordt.
Infectie van knollen kan enkel gebeuren via wonden die bij oogst en inschuren worden veroorzaakt, bv. bij onvoldoende velvaste knollen.

AFRIJPINGSZIEKTE
Naast de weersomstandigheden speelt de toestand van het gewas een belangrijke rol. In een normaal groeiend aardappelgewas, dat nog niet aan afrijping toe is, krijgen aantastingen van Alternaria in ons klimaat weinig of geen kansen. Deze ‘fysiologische weerstand’ van het gewas neemt sterk af tijdens de afrijping, en in deze fase is een epidemische ontwikkeling van de ziekte mogelijk.

ADVIEZEN
Om deze ziekte met meer kennis van zaken preventief aan te pakken, werd een ziektemodel ontwikkeld waarin – naast weersgegevens – ook gewasfactoren een rol spelen, zoals afrijping of stress, en rotatie. Dit model berekent en voorspelt de infectiekansen voor de schimmel, en het aantal vlekken dat gevormd kan worden tijdens het seizoen in onbeschermd gewas.
Op basis van dit ziektemodel, en terugblikkend op de talrijke waarnemingen in de voorbije 5 seizoenen, zouden 0 of 1 (2013) tot 3 of 4 bespuitingen (2014) geadviseerd worden, en dit vanaf ten vroegste 21 juli (in 2014) of 30 augustus (in 2013). Dit zijn specifieke alternaria-behandelingen, waarbij we ervan uitgaan dat deze hun effect bereiken, of m.a.w. dat we te maken hebben met niet-resistente Alternaria. We weten echter dat de kans daarop eerder klein is.

FUNGICIDEN
Monitoring van A. solani in Vlaanderen toont aan dat tot 70% van de isolaten (2016) een mutatie hebben die leidt tot een sterk verminderde gevoeligheid voor o.a. strobilurines (azoxystrobine, pyraclostrobine, ..) en fungiciden met een gelijkaardige werkingswijze (famoxadone, fenamidone). Ook bij SDHI-fungiciden (boscalid) leiden mutaties tot een sterk verminderd effect van de bestrijding.

Een strategie om deze resistenties niet verder te doen toenemen is dus noodzaak geworden:

  • toevoegen van bv. mancozeb (min. 1,5 kg /ha) aan middelen met gekende resistentievorming
  • afwisselen van middelen met een verschillende werkingswijze
  • respecteer het maximum aantal toegelaten bespuitingen, erkende dosis(*) en interval
    (*) dosisverhoging heeft géén effect op de werkzaamheid in geval van mutante isolaten

Wat betreft de afwisseling van werkingswijze kunnen drie groepen onderscheiden worden:

  1. Breedwerkend, zeer lage kans op resistentievorming, goede werking:
    mancozeb, maneb (+ de plaagmiddelen waar deze actieve stoffen in voorkomen); Unikat Pro
  2. Specifiek tegen Alternaria, geen resistentie gekend maar wel kwetsbaar voor de ontwikkeling ervan (bij eenzijdig gebruik!), zeer goede werking:
    actieve stof difenoconazool (Carial Star e.a., Narita)
  3. Specifiek tegen Alternaria, uitstekende werking maar grote kans op minder resultaat door het optreden van mutaties met sterk verminderde gevoeligheid:
    Amistar, Terminett, Cabrio Duo. Ook het plaagmiddel Tanos heeft deze werkingswijze. 

 

 

 

Print